Een zoektocht naar de vergeten geschiedenis van een arbeidersfamilie


Toelichting: dit verhaal heb ik, in samenwerking met een medestudent, geschreven voor de minor Creatief Schrijven.


Zenuwachtig openen we de krakende en met de tijd vergeelde envelop. Zouden we dan eindelijk bevestiging vinden? Er zitten twee documenten in. Het, zo blijkt, beslissende vonnis en een brief van dhr. N. Schrijver, destijds geneesheer bij het Huis van Bewaring in Breda. Hij beweert dat Petrus krankzinnig is. Dat hij in het belang van de openbare orde overgebracht moet worden naar een gesticht. Op het vonnis prijkt een bibberige, enigszins onzeker ogende handtekening. Niet van de arts, maar van Johannes Gabriels; zijn eigen vader. Hij stuurt aan op deze overplaatsing.

In een adressenboek uit 1900 treffen we ene J. Gabriels aan. Een fabriekswerker, woonachtig in de Goirkestraat. We zijn in het Regionaal Archief van Tilburg en zoeken naar een arbeidersgezin dat rond 1900 in of rond de Goirkestraat in Tilburg woonde. Uit dit adressenboek kunnen we niet opmaken dat het ook daadwerkelijk een textielarbeider betreft. Toch besluiten we de gok te wagen. Deze man en zijn gezin gaan we portretteren. In de genealogische databank komen we erachter dat het gaat om Johannes Gabriels. Zijn ouders, Hendrik Gabriels en Johanna Wagemakers, waren beiden werkzaam in de textielindustrie. Dat zou kunnen betekenen dat ook Johannes zijn geld verdiende als textielarbeider. In die tijd gingen kinderen van textielarbeiders namelijk al vaak op vroege leeftijd in de fabriek werken. Hoe meer kinderen, hoe meer inkomsten.

Johanna en de kinderen
In de herfst van 1879 trouwt Johannes op 29-jarige leeftijd met de iets oudere Johanna Hoofs. Johanna is een vrouw met een rijke familiegeschiedenis in de Tilburgse textielindustrie. Haar vader was wever van beroep, moeder ‘mutschenwascher’ en haar broer had een wollenstoffenfabriek in de Gasthuisstraat. Zelf werkt Johanna als textielwerkster. Na het huwelijk met Johannes stopt ze met werken. Althans, in de fabriek. In de gemeentelijke archieven treffen we haar nog een aantal keer aan. De ene keer ‘zonder beroep’, de andere keer als nobster. Een vak dat veel vrouwen thuis beoefenden. Getrouwde vrouwen waren namelijk niet welkom in de fabriek.

In januari 1881 komt een meisje levenloos ter wereld. Het is hun eerste kindje. Een naam heeft ze niet gekregen. Twee dagen na haar geboorte gaat Johannes, samen met buurman Antonius de Graaf, wever van beroep, op het stadhuis aangifte doen van deze tragische gebeurtenis. Anderhalf jaar later staan ze weer samen op de stoep bij de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand. Ze komen de geboorte aangeven van een zoon: Adrianus Henricus Gabriels. En weer anderhalf jaar later toogt Johannes opnieuw, en hoogstwaarschijnlijk verslagen, naar het gemeentehuis. Adrianus is overleden. Hij stierf op 6 maart 1984 rond ‘een ure, des voormiddags’. Vlak daarna raakt Johanna voor de derde keer zwanger. Half december bevalt ze in de vroege ochtend van een zoon, die ze de naam Petrus Franciscus geven. In deze gezinssamenstelling gaan Johannes, Johanna en Petrus op 15 mei 1900 in de Goirkestraat wonen.

Kader_Kindersterfte

Doodlopend spoor
Dat hun derde kind ook een ongelukkig lot beschoren was, dat wisten we toen nog niet. Aanvankelijk loopt het spoor van Petrus dood. In het Tilburgse archief vinden we niet meer dan een geboorteakte. Zou hij de stad uit zijn gegaan? Op zoek naar een beter leven misschien? We hopen op het beste, maar niets blijkt minder waar te zijn.

Misschien kunnen we iets vinden over het huis waar ze toentertijd woonden. Lukraak bekijken we een stapel microfiches. Dan raken we, in de studiezaal van het Regionaal Archief, aan de praat met meneer De Beer – later gewoon Stan – die ook een fiche aan het bestuderen is. Sinds zijn haar grijs kleurt, komt hij bijna iedere dinsdag in het archief. Telkens voor een ander project. We vertellen over onze zoektocht. Dat we vastlopen. Hij kijkt meelevend, maar als de naam Hoofs valt, beginnen zijn ogen te twinkelen. ‘Welke voornaam zei je?’

Toeval bestaat niet
Na wat research – hij is graag zeker van zijn zaak – vertelt Stan dat Jan Hoofs, een nazaat van Johanna, bij hem om de hoek woont in Rosmalen. De twee kennen elkaar uit het archief, waar Jan zijn familiegeschiedenis tot in detail heeft uitgeplozen. Toeval bestaat niet. Precies op het moment dat we niet verder kunnen, gaat het balletje op onverwachte wijze weer rollen. Nog die avond halen we het boekwerk over de familie Hoofs op bij Jan.

Petrus blijkt inderdaad de stad te zijn uitgegaan, alleen niet uit vrije wil. Alleen onze aanname dat hij op zoek zou zijn gegaan naar een beter leven blijft overeind. Uit het boekwerk van Hoofs blijkt dat Petrus is verpleegd in Huize Voorburg, een krankzinnigengesticht in Vught. Daarna is hij vertrokken naar Winnipeg (Canada) en uiteindelijk sneuvelt hij in 1918 op het Westerfront in Duitsland. Zijn hele leven, beschreven in drie zinnen. Helaas ook zonder bronvermelding, waarop we besluiten deze informatie te zien als aanknopingspunten.

Molensteller
Wel staat er ter illustratie een scan bij van een akte die we zelf pas later terug zullen vinden. Daarop staat linksboven het woord ‘molensteller’. De pagina is afgesneden. We kunnen niet herleiden waarom die term er staat. Na wat research komen we erachter dat de molensteller de schrobbemolen in de fabriek instelde; een onderdeel van de voorspinmachine voor het weven van lakenstof. Het is dus een beroep in de textielindustrie. Als Petrus molensteller was, dan zou het wel heel onwaarschijnlijk zijn als zijn vader Johannes geen textielarbeider was. Met ouders en een zoon werkzaam in de textielindustrie moet hij het vast en zeker ook zijn geweest. Later, als we in het archief de gehele akte terugvinden, blijkt ons vermoeden – doch anders – te kloppen. Niet Petrus, maar Johannes was molensteller van beroep. We hebben dus daadwerkelijk te maken met een textielarbeidersgezin. Iets dat tot op dit moment niet meer was dan een aanname. Toch besluiten we onze verdere zoektocht te richten op de nu al curieuze levensloop van Petrus, niet op het gezin.

Het boek van Sinterklaas
Voor het archief van het krankzinnigengesticht in Vught moeten we bij Stadsarchief ‘s-Hertogenbosch zijn. We zitten in de studiezaal met een groot lederen boek, voorzien van een sierlijke metalen sluitgesp. Het lijkt op het grote boek van Sinterklaas, maar dan met een beduidend tragischere inhoud. Het is de patiëntenlijst van Voorburg en we hebben prijs. Onze Petrus Franciscus, van beroep arbeider, is op bevel van de rechter overgeplaatst vanuit het Huis van Bewaring in Breda naar Voorburg, het krankzinnigengesticht in Vught. In eerste instantie voor de periode van een jaar. Later is zijn verblijf nog eens met een jaar verlengd.

 

Kader_Geneeskundig Gesticht Voorburg

We gaan naar het eveneens in ’s-Hertogenbosch gevestigde Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC), waar we onze zoektocht eerder die ochtend tevergeefs zijn begonnen. Hier hebben ze omvangrijke schaduwarchieven van rechtbanken en gevangenissen in Brabant. We vragen de ene na andere map aan, op zoek naar Petrus. We zijn onder de indruk. Moeten zelfs een beetje lachen. In die tijd ging je maanden achter de tralies voor het stelen van een sigaar en zes dubbeltjes.

Krankzinnig en imbeciel
Dan is er ineens die map met honderden, van ouderdom krakende en vergeelde, enveloppen. Alles ligt door elkaar. Het zijn vonnissen van de Arrondissementsrechtbank van ‘s-Hertogenbosch. Op de patiëntenlijst staat dat de rechter daar op 5 juli 1910 een besluit nam over het lot van Petrus, dus wellicht komen we hier verder mee. En ja hoor: “Ik heb ‘m!”, roept Cleo na een tijdje spitten enthousiast door de studiezaal. Mensen kijken verschrikt op. In onze handen hebben we het originele vonnis en een bijgesloten brief van de geneesheer van het Huis van Bewaring in Breda.

Hij beweert dat Petrus Franciscus Gabriels ‘lijdende is aan krankzinnigheid en ‘imbecillitas, waarbij de ethische defecten belangrijk overwegen, en acht het in belang van den lijder en nog meer in het belang van den openbare orde noodzakelijk, dat hij naar een geneeskundig gesticht voor krankzinnigen wordt overgebracht’ De dan 26-jarige Petrus is inderdaad voor gek verklaard. Krankzinnig en imbeciel. Op het vonnis prijkt een bibberige, enigszins onzeker ogende handtekening. Niet van de arts, maar van Johannes Gabriels – zijn eigen vader. Hij is degene die op deze overplaatsing aanstuurt. De brief dient alleen als bewijsmateriaal. Zijn eigen vader die hem op wilde laten nemen? Na onze opleving is het voor even weer muisstil in de studiezaal.

Petrus was dus ‘gek’. Maar met alleen gek zijn kom je toch nog niet in de gevangenis? In die tijd ging je dan gewoon regelrecht naar het gesticht. Dit vonnis roept vragen bij ons op. Wat zou Petrus hebben uitgevreten? Zou hij in een doorgedraaide bui iets vreselijks hebben gedaan?

Openbaar dronkenschap
We trekken het archief van het Huis van Bewaring in Breda open. Er zouden toch lijsten moeten bestaan waarop staat wie er is opgesloten en vooral: Waarom? Die zijn er inderdaad, gerangschikt op jaar en datum. Deze keer niet in het grote boek van Sinterklaas, maar op microfiches. We bekijken ze vanaf begin 1910. Wanneer hij in het gevang terecht is gekomen weten we namelijk niet. Tot 5 juli, de datum van de uitspraak, is Petrus drie keer opgepakt. De eerste keer hebben ze zijn signalement genoteerd. Petrus was 1,69 meter lang, had donkerblond haar, donkerblonde wenkbrauwen en donkerblauwe ogen. Zijn neus was ‘gewoon’. Net als zijn mond trouwens. In tegenstelling tot de meeste gedetineerden had hij geen baardgroei. Zijn kin en en de vorm van zijn gezicht worden beschreven als ‘rond’ en verder heeft hij geen bijzondere uiterlijke kenmerken. Echt gek zal hij er dus niet uit hebben gezien.

Telkens wordt hij voor drie dagen in hechtenis genomen. Steeds wegens openbaar dronkenschap. De laatste keer hebben ze hem daar maar gehouden. Het zou dus kunnen dat de enige zoon van de familie Gabriels verslaafd was aan de drank. Dit werpt een ander licht op de zaak. In die tijd werden namelijk niet alleen de ‘gekken’, maar ook alcoholisten naar een krankzinnigengesticht gestuurd. Weg uit de samenleving, om vervuiling van het nageslacht tegen te gaan. Het is nog maar de vraag of Petrus daadwerkelijk krankzinnig en imbeciel was.

 

Kader_Verslaafd maar niet gek

Een nieuw leven
Na twee jaar verplichte opname op Voorburg wordt Petrus ontslagen. Hij is vrij om te gaan en staan waar hij wil. In het patiëntenregister van Voorburg lezen we dat hij twee dagen na zijn ontslag, op 15 april 1912, vertrekt naar Winnipeg. Zouden ze bij het gesticht hebben geweten wat hij daar ging doen? Of hebben ze dit later via een andere instantie vernomen? Was hij op zoek naar een nieuw leven? Weg van zijn vader die hem voor gek heeft laten verklaren? Hoe en waarom hij daar terecht is gekomen, dat weten we niet. Naar antwoorden kunnen we alleen gissen. We vermoeden dat hij de reis naar Canada – of in eerste instantie naar de Verenigde Staten – per boot heeft gemaakt. Dat was gebruikelijk in die tijd.

Het is bijna vier uur. Het BHIC gaat sluiten en we hebben het verhaal nog niet rond. Op de scan waarop staat dat Johannes molensteller was van beroep, staat ook dat Petrus in 1918 is gesneuveld op het Westerfront. Dat zal dan wel bij het Canadese leger zijn geweest, denken we. Eenmaal thuis zoek ik op internet verder naar archieven uit de Eerste Wereldoorlog. Nog geen vijf minuten later heb ik beet. ‘Peter’ – op zijn Amerikaans – is op 13 januari 1916 in dienst van het Canadese leger getreden. Dat is bijna vier jaar na zijn aankomst in Canada. Wat hij daar in de tussentijd heeft gedaan is een raadsel. Op het inschrijfformulier staat dan Peter al de nodige ervaring heeft. Het precieze aantal jaren is niet te lezen, maar hij verklaart enige jaren bij het Nederlandse leger te hebben gezeten. Niets wijst op zijn bewogen verleden in Nederland.

Het is inderdaad een nieuw begin. Al is het maar voor even. Op 1 oktober 1918 sneuvelt Petrus Franciscus Gabriels ten westen van het Westfront: een gebied dat tijdens de Eerste Wereldoorlog voornamelijk bestond uit loopgraven. Hij is begraven in een anoniem graf op het Vimy Memorial in Calais. Zes maanden daarvoor is zijn vader Johannes gestorven en twee jaar later overlijdt ook Johanna, zijn moeder.

Kader_De eerste linie

Tekst | Renée Conradi
Kaders | Cleo van der Schaft