Het uitwerken van mijn scriptie was niet gemakkelijk. Integendeel zelfs. Ontelbare omzwervingen, weinig ervaring in het doen van onderzoek, belemmerende perfectionistische trekjes en bij vlagen twijfel over of ik er wel goed aan doe het zo groots aan te pakken, zijn tekenend voor het afgelopen jaar. De zinsnede ‘liever een doorwrocht stuk van tien pagina’s dan een onsamenhangend verhaal van twintig bladzijden’ heeft me – met een scriptie van bijna veertig pagina’s – tot in mijn dromen achtervolgd.

Of dat erg is? Niet bepaald. Met een onderwerp – interdisciplinariteit – dat binnen Journalism Studies zorgt voor welgeteld twee hits, waarvan geen van beide betrekking heeft op samenwerking in de journalistieke praktijk, kun je niet anders dan grondig te werk gaan. Dat er in de journalistiek zo weinig aandacht is voor interdisciplinaire samenwerking, heeft me juist gemotiveerd om me in dit onderwerp vast te bijten. Inspirerende gesprekken – onder meer met Karel van den Berg, Wiel Schmetz en niet te vergeten mijn moeder – hebben ervoor gezorgd dat ik die motivatie tot het einde heb weten vast te houden.

Eerlijkheidshalve moet ik wel toegeven dat ik liever had gedaan wat ik in mijn aanbevelingen voor vervolgonderzoek beschrijf: een breder, meer valide onderzoek waarna ook het journalistiekonderwijs onder de loep wordt genomen. Maar ach, je moet toch ergens beginnen? En is dat niet waar iedere onderzoeker mee blijft zitten? Daarnaast illustreert dit gevoel een ontwikkeling die ik de afgelopen jaren zowel op professioneel als op persoonlijk vlak heb doorgemaakt.

Reflective practitioner
Met mijn portfolio en tijdens mijn eindassessment moet ik onder andere aantonen dat ik een reflective practitioner ben. Nu ben ik daar niet zo bang voor; hooguit onwaarschijnlijk zenuwachtig. Ik weet – mede door dit onderzoek – welke rol ik als journalist kan en wil vervullen en welke verantwoordelijkheden dat met zich meebrengt. Waar ik na het doen van dit onderzoek mee worstel, is de vraag of ik wellicht eerder reflective ben dan een practitioner. Begrijp me niet verkeerd: ik werk sinds 2014 als zelfstandig (onderwijs-)journalist. Dat geeft me ontzettend veel voldoening en ik kom er nog van rond ook. Kortom: een topbaan. Ik doe eigenlijk niets liever…

Of toch wel? En ligt mijn bevlogenheid en motivatie eerder bij de journalistiek dan bij een baan als journalist? Dat is de vraag die me momenteel erg bezighoudt. Ik ben me er bewust van dat ik (nog) geen onderzoeker ben: ik mis daar de vaardigheden en de juiste academische achtergrond voor. Daarentegen durf ik wel met zekerheid te zeggen dat ik een journalist ben. Niet alleen qua achtergrond en vaardigheden – ook qua mindset. Ik heb van nature een onderzoekende houding. Mijn interesse wordt gewekt wanneer ik het idee krijg dat iets beter zou kunnen. Of in ieder geval, anders. In de breedste zin van het woord is verandering dan ook een terugkomend thema in veel van mijn producties. Daarbij focus ik het liefst op concrete aanknopingspunten, niet op wereldverbeterende ideeën of droomscenario’s. Wellicht ligt ook daar mijn kracht in een meer onderzoekende rol in de journalistiek, en is de combinatie tussen journalistiek werk én onderzoek niet alleen de sleutel tot professionele- maar ook tot persoonlijke voldoening. Of dat zo is ga ik in het komende jaar uitzoeken.

Mijn rol
Tot slot wil ik nog even teruggaan naar het onderwerp van deze scriptie, maar dan met betrekking tot mezelf. Het afgelopen jaar heb ik ontzettend veel geleerd over interdisciplinaire samenwerking in de journalistiek. Ik heb het dan over theoretische kennis. Praktijkervaring heb ik op dat vlak niet. Althans, nog niet. Als ik het voor het zeggen had, dan zou ik me namelijk vandaag nog nuttig maken in een interdisciplinaire journalistieke werkomgeving. Ik zou u graag willen vertellen over mijn functioneren in een interdisciplinair team, maar dat laat dus nog even op zich wachten. Wel kan ik vast op de zaken vooruitlopen en beschrijven hoe ik mezelf zie in een interdisciplinaire werkomgeving.

Mijn rol in een journalistieke, interdisciplinaire werkomgeving kan twee kanten op. Zo zou ik de journalistieke discipline kunnen vertegenwoordigen. Daar studeer ik tenslotte op af. In dat geval zou ik goed zijn in het werken aan een gezamenlijk, disciplineoverstijgend doel. Dat denk ik omdat ik goed ben in duidelijk communiceren. Ik heb er geen moeite mee om aan te geven wat goed gaat, wat niet, waar ik moeite mee heb en wat ik niet begrijp. Wellicht is dat – naast mijn vakinhoudelijke kennis van de journalistiek – van meerwaarde in een interdisciplinair team. Wel zou het een uitdaging zijn om de juiste balans te vinden, in mijn geval tussen de journalistiek en de andere betrokken disciplines. Want waar liggen de grenzen als je disciplineoverstijgend werkt? Hoe bewaak je de journalistieke onafhankelijkheid zonder jezelf boven een ander te stellen? Dat zijn interessante vragen om over na te denken.

Anderzijds zie ik mezelf ook in een meer begeleidende rol, bijvoorbeeld als projectleider. Als de bruggenbouwer tussen verschillende disciplines, het interdisciplinaire team en de rest van de organisatie. Ik ben namelijk iemand die van nature de leiding neemt. Ik geniet ervan om dingen goed te regelen, alles goed in kaart te brengen en het overzicht te bewaren. Dat in combinatie met mijn communicatieve vaardigheden zou mij tot een goede projectleider maken. Aan de andere kant is het, in ieder geval in een interdisciplinaire journalistieke werkomgeving, een nadeel dat ik een journalist ben. Andere disciplines zouden kunnen denken dat ik bevooroordeeld ben, of meer naar de journalistieke discipline neig. Natuurlijk heb ik ook een grafische achtergrond, al is die minder aanwezig. Wellicht zou een vervolgstudie, een cursus of werkervaring kunnen bijdragen aan mijn professionele ontwikkeling op dit vlak. Het clichématige ‘practice what you preach’ is hier wel op zijn plaats.