Toelichting: dit artikel is in maart 2015 verschenen in Toets! – een vakblad over toetsing en assessment in het onderwijs. Helaas heb ik nog geen pdf-versie van het gepubliceerde artikel. 


Toelating op het Koninklijk Conservatorium in Den Haag is een wederzijdse belofte, tussen de student en de opleiding, om het hoogst haalbare uit elkaar te halen. Om die reden is de toelatingsprocedure minstens zo van belang als het eindexamen. Aan de poort wordt dan ook streng geselecteerd. Alleen zo kan het conservatorium haar belofte waarmaken.

Er bestaat in Nederland geen officiële vooropleiding om te worden toegelaten tot het conservatorium. Daarentegen hebben alle aspirant-studenten, ieder op hun eigen manier, al jaren van muziekeducatie achter de rug. Een vroeg begin is gewoonweg de beste entree in de muziek. Tenminste, als je beschikt over voldoende talent om het te kunnen maken in de veeleisende en internationale beroepsomgeving. Dat er aan de poort van het conservatorium selectie plaatsvindt, daar is dan ook geen discussie over. Van de om en nabij duizend kandidaten die zich jaarlijks aanmelden voor één van de vele studierichtingen, worden er ongeveer honderd aangenomen. Maar op basis waarvan? Hoe beoordeel je of iemand het in zich heeft om professioneel musicus te worden? “In ieder geval niet op smaak, zoals nog weleens wordt gedacht”, stelt Susanne van Els (51).

Als Afdelingshoofd Klassieke Muziek op het Koninklijk Conservatorium in Den Haag is Van Els verantwoordelijk voor de uitvoering van het gehele Klassieke curriculum. De toelatingsprocedure maakt een klein, maar doorslaggevend deel uit van haar werkzaamheden. Niet alleen voor de aspirant-studenten, maar voor het hele conservatorium. Van Els: “Als wij iemand aannemen, dan zetten wij onze handtekening onder het succes van die student. Het is een toezegging dat wij het hoogst haalbare uit hem zullen halen. Dat kunnen we alleen doen als we zeker zijn van zijn muzikale capaciteiten en ontwikkelingspotentieel.” Dat laatste uit zich in concrete aspecten zoals fysieke- en gehoorcapaciteiten, maar ook in persoonlijkheid, motivatie en toewijding. Om daar inzicht in te krijgen, is een intensieve selectieprocedure noodzakelijk.

Een samenspel
Volgens Van Els is het beoordelen van muzikale prestatie helemaal niet zo ongrijpbaar als weleens wordt gedacht: “Er heerst een notie dat zoiets moeilijk meetbaar is en dat is absoluut niet het geval.” Een getraind oor hoort volgens Van Els meteen op welk niveau een kandidaat speelt, of zijn gehoor goed is en of hij de noten beheerst. Het is te vergelijken met taalvaardigheid; of iemand goed is in spelling. Echter, goed kunnen lezen en schrijven maakt van iemand nog geen topauteur. Hier komt talent om de hoek kijken. “Bekwaamheid is één ding. Maar talent is een samenspel tussen vaardigheden en ontwikkelingspotentieel. Die dingen kunnen niet zonder elkaar. Niet bij de toelating, niet tijdens en niet na een opleiding aan het conservatorium. Een professionele carrière als musicus is inherent aan een leven lang leren”, aldus Van Els.

Het kaf van het koren
De specifieke invulling van de toelatingsprocedure verschilt per studierichting, maar bestaat doorgaans uit een voorselectie en een toelatingsexamen. Kandidaten leveren bij hun inschrijving verschillende geluids- of video-opnames en een uitgebreid motivatieformulier in. Tijdens de voorselectie beoordelen assessoren, aan de hand van die opnames, de technische en muzikale kwaliteiten van een kandidaat. Zwart-wit gesteld wordt bij dit onderdeel het kaf van het koren gescheiden. Van Els: “De voorselectie geeft ons een eerste indicatie van het niveau van een kandidaat. We selecteren dan heel basaal, op basis van de vraag: Is dit van voldoende niveau om in het eerste jaar van de opleiding mee te kunnen draaien?”

Belangrijke indicatie
Zij die aan dat niveau voldoen worden uitgenodigd voor het toelatingsexamen, dat bestaat uit een theoretisch deel en een praktijkexamen. Het eerste, theoretische deel omvat een schriftelijke algemene muziekleertest, een persoonlijk onderzoek naar de gehoorontwikkeling en prima vista – van blad – zingen en spelen. Zo wordt het niveau van een kandidaat op het gebied van muziektheorie getoetst. Dat is van belang om te kunnen beslissen of hij al dan niet, en in het eerste jaar of op een hoger niveau, kan instromen in het theorie-onderwijs van het conservatorium. De beoordeling die hieruit voortvloeit is een belangrijke indicatie van het niveau, maar het uiteindelijke oordeel wordt pas gevormd na het praktijkexamen. “Iedere kandidaat heeft het recht om aan het praktijkexamen deel te nemen. Ook diegenen met de aanbeveling niet doen. Want waar het uiteindelijk om draait is: Staat hier iemand die zindert van de liefde voor muziek? Of staat er een soort ambtenaar die heel goed, heel veel noten kan spelen?”, aldus Van Els.

Samenhang van factoren
Het praktijkexamen is het belangrijkste onderdeel van de toelatingsprocedure. Hier draagt de kandidaat een eigen selectie uit een aantal voorgeschreven stukken voor. Naast Van Els zijn bij dit onderdeel alle docenten van de desbetreffende instrumentgroep aanwezig. Zij gaan, wanneer de kandidaat de zaal weer heeft verlaten, met elkaar in gesprek om tot een gezamenlijk oordeel te komen. “Dat doen we aan de hand van criteria als: Is het zuiver en mooi van toon? Heeft iemand gevoel voor timing? Hoe zit het met de coördinatie? Wil iemand iets uitdrukken, of is de aanpak puur instrumentaal? Op basis hiervan kunnen we heel goed beoordelen of iemand goed genoeg is”, aldus Van Els.

Al is daar nog lang niet alles mee gezegd. Ook het motivatieformulier, dat kandidaten bij hun aanmelding inleveren, speelt een rol. Daarmee gaan kandidaten in op hun artistieke ideeën, professionele activiteiten en hun persoonlijke en professionele ambities. Daarnaast wordt de beoordeling ook beïnvloed door de leeftijd, de muzikale expressie en misschien wel het belangrijkste: het ontwikkelingspotentieel van een kandidaat. De samenhang tussen al deze factoren, dus het totaalbeeld, is doorslaggevend. Van Els: “Zo deed er vorig jaar een heel jong, maar heel gemotiveerd meisje auditie. Haar cellospel was nog niet op niveau, maar verder was er niets mis mee. Het fysieke- en het gehoortalent was bij haar heel mooi aanwezig. Een andere kandidaat speelde wel op niveau, maar moest fysiek gezien nog veel afleren om zich op een natuurlijke manier verder te kunnen ontwikkelen. Op absoluut niveau, als je alleen een opname zou beluisteren, was hij een betere kandidaat. Maar in de praktijk bleek zij geschikter te zijn. Hem moesten we van alles afleren, met haar konden we meteen gaan bouwen. Dat is veel makkelijker. Het oordeel valt dus heel anders uit als je kijkt naar de samenhang tussen al die verschillende factoren. We beoordelen op potentieel, niet op waar de kandidaat nu al staat.”

Gedeelde verantwoordelijkheid
De beslissing om iemand wel of niet aan te nemen, wordt altijd in samenspraak met alle docenten binnen de instrumentgroep gemaakt. Dat in tegenstelling tot ouderwetse conservatoria, waar het beslissende oordeel nog vaak de keuze is van een enkele docent. “Dat is een heel bewuste keuze. Als voorzitter is het mijn verantwoordelijk dat alle aspecten, op basis waarvan we een keuze kunnen maken, aan bod komen. En dat niet één enkele docent zijn zin doordrukt, maar dat het een gezamenlijke beslissing is. Daarin ben ik een constante factor, maar de aanwezigheid van alle docenten is dat ook. Die gedeelde verantwoordelijk is een kwaliteitsgarantie. Wij zetten onze handtekening onder het succes van een student als instituut, en dat kan alleen door die elementen te garanderen”, aldus Van Els.

Kwaliteitscontrole
Deze aanpak staat vanaf het toelatingsexamen tot aan het eindexamen centraal. Het is een van de ingebouwde kwaliteitscontroles waar niet alleen de student, maar ook de opleiding zelf profijt van heeft. Beide partijen ontlenen hun bestaansrecht aan het functioneren op topniveau. Ieder jaar wordt het niveau van eindexamenkandidaten dan ook onder de loep genomen door middel van international benchmarking. ‘Grote lui’ uit de internationale professionele muziekwereld beoordelen dan of het niveau van de studenten hoog genoeg is om mee te kunnen draaien op topniveau. Van Els: “Per jaar vallen slechts één á twee studenten af. Dus als steeds blijkt dat bijna alle studenten die we afleveren op dat niveau functioneren, dan hebben we het bij de toelating al goed gedaan. Voor mij persoonlijk gaat de beoordeling van die eindexamens over of ons onderwijs goed is en onze aanpak, onder andere bij het toelatingsexamen, de juiste is.”

[STREAMERS]

‘Talent is een samenspel tussen vaardigheden en ontwikkelingspotentieel’

‘Het totaalbeeld is doorslaggevend’

‘We beoordelen op potentieel, niet op waar de kandidaat nu al staat’